Gesprek met Rob van der Laarse

Gesprek met Rob van der Laarse

Rob van der Laarse is hoogleraar Erfgoed van de Oorlog (Westerbork leerstoel) bij CLUE, (Cultural Landscape and Urban Environment), het interdisciplinaire onderzoeksinstituut voor erfgoed en geschiedenis van de VU te Amsterdam, en universitair hoofddocent Cultureel erfgoed aan de Universiteit van Amsterdam. Van der Laarse specialiseerde zich in het materiële en immateriële erfgoed van de Tweede Wereldoorlog en geeft samen met prof. dr Frank van Vree, hoogleraar Journalistiek en Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam, leiding aan het onderzoeksprogramma ‘Dynamiek van de herinnering. Nederland na de Tweede Wereldoorlog in internationale context’.


Betekenis is - ook binnen de erfgoedwereld - een gelaagd begrip. Betekenisgeving was in de 18e eeuw een zaak van de connaisseur, 403 Forbidden in de 19e eeuw van de wetenschapper - de vaderlandse historicus - en nu zie je een soort 2.0 democratisering: betekenisgeving die ontstaat vanuit de vraagkant, van degene die een plek betekenis geeft door er naar toe te gaan en te weten te komen wat er leeft.
Die betekenis wortelt allereerst in de traditie. Het gaat terug op verhalen die ooit zijn opgetekend, daarna zijn gemusealiseerd of in de verhalen van historici zijn terechtgekomen, maar ook in de vorm van volksverhalen zijn doorgegeven. Je ziet vaak dat die verhalen door elkaar gaan lopen. Zo heeft de erfgoedantropologe Barbara Bender eens geprobeerd alle betekenissen die aan Stonehenge werden gehecht op te sporen. Ze lieten een tentoonstelling maken met panelen die elk een apart vertoog weergaven. Zo kreeg je dus een hele serie verhalen over Stonehenge, van wetenschappers en archeologen, van de eigenaar (de staat), van de omwonende boeren, de National Trust, de New Age beweging en van druïden, kortom, een gigantische hoeveelheid interpretaties van Stonehenge. Uiteraard weet niemand waartoe die

403 Forbidden

prehistorische megalieten nu werkelijk dienden, maar op die manier krijg je een verdichting van betekenissen. Al die betekenislagen over elkaar heen maken zo’n plaats interessant.

Dirigenten van de herinnering

Wanneer je op zoek gaat naar ‘plaatsen van betekenis’ kom je meestal terecht bij bekende sites. Het publiek selecteert die plaatsen niet zelf, want er bestaat al overeenstemming over welke sites interessant zijn. Jullie kiezen voor een vraaggestuurde benadering, maar je moet er wel rekening mee houden dat die


nginx/1.6.3
vraag ook zelf weer wordt gestuurd.
Zo zijn wij in ons onderzoeksprogramma aan de VU bezig met de Atlantikwall. Dat is een Europees project. Het begon met het idee dat we de historische achtergrond en naoorlogse betekenisgeving wilden weten. Nu zijn er rondom de Atlantikwall allerlei verschillende verhalen. Mensen op Texel vertellen een ander verhaal dan mensen in Den Haag of Scheveningen. Tegelijk zit je met het punt dat er een vorm van institutionalisering optreedt. Op verschillende niveaus zie je ‘dirigenten van de herinnering’ optreden, maar tegelijk zie je een tendens om rondom deze sites juist allerlei verschillende verhalen in alle openheid en volledigheid te stimuleren en presenteren.
Op dit moment zijn allerlei mensen op allerlei niveaus bezig met de Tweede Wereldoorlog. Er is een enorme opleving rondom de vliegtuigwrakken uit die tijd. Zo heeft de antropoloog Rob van Ginkel vanuit ons NWO programma Dynamiek van de herinnering via het internet contact gezocht met al die mensen die hiermee bezig zijn. Meestal zijn dat amateurs, dus mensen die er niet voor hebben doorgeleerd. Als je de plekken waar die wrakken liggen of worden herinnerd in kaart brengt, krijg je een heel nieuwe kaart van Nederland. Plekken van herinnering krijgen tegenwoordig een heel andere invulling, omdat het niet meer gaat om de mening van de experts alleen, maar ook om de stem van een breder publiek.

Nationaal-historisch perspectief te dominant

Veel mensen zijn tegenwoordig bezig met de geschiedenis van hun eigen straat of omgeving. Ze zijn vaak actief in de plaatselijke historische verenigingen en ze beschikken over een enorme toponymische kennis. Daar ligt dus veel kennis. Die kennis is eigenlijk nooit goed gewaardeerd. Vroeger gingen historici nooit de lokale archieven in; dat was iets voor stamboomonderzoekers en andere amateurs. Er was een tiental jaren geleden een tendens om op zoek te gaan naar die lokale geschiedenissen, met het idee die te integreren in de vaderlandse geschiedenis. Denk aan verhalen als dat van de Franse Anneles-historicus Le Roy Ladurie over Montaillou. Dat in het buitenland populaire microgeschiedenis was een richting die binnen de Nederlandse historische wereld nauwelijks aansloeg. De meeste leerstoelen werden en worden nog steeds gedomineerd door het nationale perspectief. Met plaatsen van herinnering zie je hetzelfde: ook dat verhaal wordt nog teveel gedomineerd door een nationaal-historisch perspectief. Dat is interessant voor historici, zoals ik, maar niet voor mensen die ergens naartoe willen om ‘iets van vroeger’ te beleven. Die betekenisgeving - en de vraag wat je op die plek aan een breder publiek zou moeten vertellen – wordt nog te weinig vanuit een erfgoed- en herinneringsperspectief benaderd.

Culturele biografie van een plek

Heb jij een idee over de manier waarop je ‘plaatsen van betekenis’ het beste kunt beschrijven?
De meest traditionele manier is die van de reisgids. Baedeker was daarmee revolutionair. En het is nog steeds de manier waarop we allemaal werken: we pakken tenslotte allemaal regelmatig een reisgids en lopen een route. Maar je moet van tevoren goed nadenken over je fundament: welke elementen moet een beschrijving van een plek hebben? Het is aardig om te streven naar een gelaagdheid van betekenissen. Zo richt een beschrijving zich tot meerdere publieksgroepen. Ook het idee van counter narratives is een goed idee, want achter elke dominante betekenis gaan andere, soms vergeten, soms omstreden verhalen schuil.
Ik leer mijn studenten op drie manieren naar een plek te kijken en die te interpreteren.
Allereerst gaat het om het bij elkaar brengen van kennis. Dat is het niveau van de interpretatie. Je kunt op alle mogelijke manieren naar een plek kijken, door archiefonderzoek, maar ook door het ‘lezen’ van een monument of het landschap. Ten tweede is er de presentatie. Hoe wordt een plek als site gepresenteerd, hoe is die vormgegeven, gemusealiseerd of geënsceneerd? Eigenlijk gaat het daarbij om de vraag wat er met die plek is gebeurd. Plekken hebben al een geschiedenis. Daarom zou een beschrijving niet moeten beginnen met de reden waarom iedereen er naartoe gaat. Je zou eigenlijk een culturele biografie moeten maken van zo’n plek. Dat betekent dat je in je presentatie er niet één iconische periode uit hoeft te lichten.

Toe-eigening

En met die representatie komen we bij het derde niveau van wat ik zou willen omschrijven als een site analyse. De manier waarop een plek wordt gepresenteerd is belangrijk, maar de iconische betekenis geeft altijd de doorslag wanneer het gaat om de vormgeving, het verhaal, en de bezoekersbeleving. Zoals in het geval van Stonehenge gaat het namelijk bij het belang dat men hecht aan een plek om toe-eigening. Erfgoed moet per definitie worden eigengemaakt. Neem Kamp Westerbork. Dat is nu geen kamp meer, zelfs geen Molukkenkamp. Dat moet je dus uitleggen, want het publiek komt naar deze plek in de wetenschap dat vanaf deze, inmiddels parkachtige omgeving, de Nederlandse joden 65 jaar geleden naar de vernietigingskampen zijn getransporteerd. Onze belangstelling voor de Holocaust begon pas rond 1970. Vóór die tijd (en eigenlijk ook nog lang daarna) bestond er verzet tegen de toeristificatie van die plek. Daarom koos men ervoor om alles wat aan dat kamp deed denken weg te slopen. Het monument dat er nu staat, ligt eigenlijk buiten de hekken van de eigenlijke site. De kampplaats zelf is pas sinds 1992 tot site ingericht, met een route van het herinneringscentrum naar de plek zelf.
Een ander voorbeeld is Kamp Vught. Daar staat nog veel ‘Duitse’ gebouwen, maar die zijn in gebruik bij het leger. Een ander deel, woonoord Lunetten, is nog steeds een Molukkenkamp, en naast het herinneringscentrum Nationaal Monument Kamp Vught bevindt zich Nederlands zwaarst bewaakte penitentiaire inrichting. Daar heb je dus veel discoursen over elkaar heen liggen. En van door de politieschool in gebruik genomen kamp Amersfoort is, op de fusilladeplaats en een wand met muurschildering van de directeurswoning na, helemaal niets meer over. Maar nog onaangeroerd ligt er de Leusderhei, waar de Duitsers veel Wit-Russen en Oekraïners hebben gefusilleerd. Dat veel van die Russen daar nog liggen was geen hot issue tijdens de Koude Oorlog, en pas nu wordt onder meer vanuit CLUE aangedrongen op archeologisch onderzoek. Zo ontstaan er allerlei vertogen en verhalen over wat een plek eigenlijk is, of het wel een plaats van herinnering is en voor wie dan?

Localiseren en globaliseren

Wanneer het gaat om de Leusderhei, dan zou jullie project interessant worden wanneer je daardoor kunt doorlinken naar de Oekraïne of Wit Rusland en de verhalen die daar verteld worden over wat er met de bevolking daar is gebeurd ten tijde van de Hitler en Stalin-terreur. Het wordt interessant wanneer je zulke verhalen weet te combineren met de verhalen die er in Nederland worden verteld over de ‘Russenkampen’.
Feitelijk volg je dan twee sporen: je lokaliseert en je globaliseert. Localisatie betekent vermenselijking, want het gaat om persoonlijke verhalen van mensen. Daarnaast moet je ervoor zorgen dat het internationaal ook interessant is. Verhalen hebben heel lang gesluimerd in lokale cultuur, maar worden nu geglobaliseerd en daarmee voorzien van een veel rijkere betekeniscontext.
Neem het Anne Frankhuis. Dat trekt bijna net zoveel bezoekers (1 miljoen) als Auschwitz. Dat komt omdat het precies op de ‘Holocaustroute’ ligt. Amerikaanse toeristen starten in het Jewish Holocaust Museum (VS), vliegen dan naar Amsterdam, gaan daarna naar Berlijn en dan verder naar Polen. Het Anne Frankhuis speelt ook in op die internationalisering. Zo is er onlangs een Anne Frankhuis in Buenos Aires geopend. Dat is vrijwel een letterlijke kopie van de originele site, kompleet met een achterhuis en een replica van de boekenkast; er is zelfs een loot van de omgewaaide ‘Anne Frankboom’ geplant. Er hebben in dat huis nota bene ook onderduikers gezeten, in de tijd van Videla! Dat is een voorbeeld van een gelijktijdige globalisering en lokalisering van een heritage site. Een site hoeft dus niet meer de originele site te zijn, het kan ook een virtuele ‘geheugenprothese’ zijn waar bezoekers een Anne Frankervaring opdoen.

Conclusies

Het voorbeeld van Stonehenge maakt duidelijk dat een plek niet één betekenis heeft, maar een gelaagdheid van betekenissen die er in de loop van de tijd aan zijn toegekend. Daarnaast is duidelijk dat de huidige betekenis die mensen hechten aan een plek vaak afhankelijk is van hun eigen geschiedenis, dus van de manier waarop zij die plek hebben beleefd. Het beeld dat mensen hebben van een plek wordt niet per se bepaald door de betekenis die in de officiële geschiedschrijving aan die plek wordt toegeschreven.
De lokale verhalen nuanceren dat beeld: een nuance die valt te combineren met het idee van het vertellen van counter narratives.

Belangrijk voor ons idee over een door gebruikers te hanteren sjabloon is de onderverdeling die Van der Laarse maakt in interpretatie, presentatie en representatie van een plek. Vaak is aan een plek - aan de manier waarop die aan het publiek wordt gepresenteerd – niet meer af te lezen wat er precies gebeurd is. Interessant wordt Plaatsen van Betekenis wanneer het in staat is de verhalen over gebeurtenissen op die plek te (laten) linken aan de verhalen die er elders in de wereld over verteld worden (vergelijk het voorbeeld van de Leusderhei).

Subpagina’s: